priester
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) (religie) iemand die de religieuze (offer) rituelen verzorgtDe Nederlanden: 1466/1469 tot 1495 Erasmus werd in de nacht van 27 op 28 oktober geboren als tweede zoon van de priester Gerard Helye (zoon van Elias) en Margaretha, de dochter van een arts uit Zevenbergen, een dorpje op de grens tussen Holland en Brabant.Dat weet ik van de priester van dat kleine kerkje dat ik op mijn eerste dag passeerde.De priesters van Amon waren bijzonder machtig in het Egypte van de 21ste dynastie.
Etymologie
*Van Latijn presbyter (oude man, ouderling, priester). Op zijn beurt van Grieks presbuteros (ouder), overtreffende trap van presbus (oud).
Vertalingen
Engelspriest
Fransprêtre
DuitsPriester
Spaanssacerdote
Italiaanssacerdote, prete
Russischжрец
Chinees祭司
Japans司祭
Turkspapaz
Zweedspräst
Deenspræst
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek