priesterschap

/ˈpristərˌsxɑp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (n) het uitoefenen van het ambt van priester
    Gedesillusioneerd legde hij het priesterschap neer.
  2. (f) de verzamelde priesters van een bepaalde cultus
    De priesterschap van Amon kreeg onder de latere Ramessiden steeds meer politieke macht en oefende onder de volgende dynastie koninklijke macht uit.

Etymologie

*Afgeleid van priester

Vertalingen

Spaanssacerdocio