prijs

mannelijk (de)/prɛis/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. economie (economie) het bedrag (meestal in geld) dat betaald wordt voor een goed of een dienst
    De prijzen zijn deze winter sterk gestegen.
    In 1989 nam Henriroux de zaak over. 'We zijn trots op onze geschiedenis, maar proberen altijd vooruit te denken', zegt hij. Henriroux opende een hotel en een tweede restaurant waar je goed kunt eten tegen redelijke prijzen.
  2. een uitzonderlijke beloning, bijvoorbeeld voor een bepaalde prestatie
    Hij won de tweede prijs in de loterij.
  3. verouderd, scheepvaart (verouderd) (scheepvaart) buitgemaakt schip
    Item oock naederhandt op den 10 February als wanneer uyt d'opperhooffden van dien verstonden, dat deselve omtrent de cust van Brasil op omtrent 12 graden Z.breete een Portugese neger prijs (comende van Angola ende tenderende nae de bay tote la Santoes) genomen hadden met over de 500 slaven ende slavinnen, daeruyt gelight 250 stucx, hebbende de rest met het Portugees schip, dat oudt ende onbequaem was, laten varen;
  4. niet financiële kosten van iets
    Het komt allemaal goed.” Maar wat als het niet goed gaat? Klimmen heeft af en toe ook een prijs.

Etymologie

*[3]: via Middelnederlands "prise" van "prise", verbogen voltooid deelwoord van "prendre" "nemen"

Uitdrukkingen

  • Het was weer zover.

Vertalingen

Engelsprice, reward, prize
Fransprix, prix
DuitsPreis
Spaansprecio, premio
Italiaansprezzo
Zweedspris
Deenspris