proclisis

vrouwelijk (de)/proˈklisɪs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het verschijnsel dat een - meestal onbeklemtoond - woord wordt uitgesproken als vormde het een deel van het woord dat erop volgt

Etymologie

* van Neolatijn "proclisis", gevorm uit "κλίσις" (klisis) "verbuiging; voorvoegsel" met het voorvoegsel "pro-"