pruik
mannelijk/vrouwelijk (de)/prœyk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een kunstmatig haarstuk waarmee het hoofd bedekt wordtIn de achttiende eeuw was het dragen van pruiken erg in de mode."Ik had mijn best gedaan haar goed te bestuderen en thuis voor de spiegel geoefend. Ik had een pruik opgezet, haar befaamde eyeliner en lippenstift opgedaan en zong De Verzoening van Frank Boeijen, terwijl Liesbeth voor mijn neus zat."
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vals haar’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1560
Uitdrukkingen
- Hij heeft de pruik op — Stoett-281 [https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_0284.phpv281 www.dbnl.org]
- Zijn pruik staat scheef — hij is gehumeurd
Vertalingen
Engelswig, hairpiece
Fransperruque
DuitsPerücke
Spaanspeluca
Turksperuk
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek