pudding

mannelijk (de)/ˈpʏdɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kookkunst (kookkunst) zoet nagerecht uit melk en smaakgevende bestanddelen die gemengd met meel of iets vergelijkbaars om het te binden wordt gekookt en daarna in een vorm stolt, meestal koud geserveerd
    De pudding kwam niet goed uit zijn vorm.
    Maar toen eenmaal de gelatine (1845) en de maïzena (1862) waren uitgevonden, ging het snel. In Engeland, en later ook in ons land, verschenen boeken waarin werd uitgelegd hoe je pudding eenvoudig in allerlei vormen kon modelleren.
  2. voeding, historisch (voeding) (historisch) gerecht bereid uit meel of fijngemaakt brood, niervet en specerijen, aangevuld met gemalen vleesresten in de vorm van een soort worst of aangevuld met melk en eieren tot een beslag dat geperst in een doek of zak wordt gekookt
    {{ouds

Etymologie

**[2] in de betekenis van ‘gerecht bereid uit meel of fijngemaakt brood, niervet en specerijen’ geschreven als "poddingh" aangetroffen vanaf 1668 en geschreven als "pudding" vanaf 1683 (zie vindplaats hieronder)

Uitdrukkingen

  • In elkaar zakken als [een] puddingAlle fundament, geloofwaardigheid, onderbouwing e.d. verliezen; (van personen) uitgeput neervallen

Vertalingen

Engelspudding
Franspudding, pouding
DuitsPudding
Spaansbudín, natillas, pudding