puf
mannelijk (de)/pʏf/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- fut, energie, lustNa 10 dagen hard werken had hij geen puf meer om nog gezellig op visite bij zijn familie te gaan.
- (medisch) plotselinge uitstoot van lucht of gas (bij inhalatie van medicatie)Hij gebruikte pufjes i.v.m. zijn cara.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek