put
mannelijk (de)/pʏt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een pijpvormige uitholling in een oppervlakHij was in een put gevallen en brak zijn been.
- (waterbeheer) in de bodem aanwezige opening (schacht) die naar een vloeistofbron leidt
- (waterbeheer) een geprefabriceerd reservoir, bijvoorbeeld uit beton of kunststof, bedoeld om in de grond in te graven, bijvoorbeeld een regenwaterput of een septische putHet plaatsen van een betonnen put is lastiger, omdat een kraan vereist is. Doordat de put zwaarder is, hoef je niet bang te zijn dat de put verschuift wanneer het grondwater hoog staat.Als heftruckchauffeur ga je betonnen putten vervoeren met een heftruck.
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘gegraven opening met water’ voor het eerst aangetroffen in 855
Uitdrukkingen
- in de put raken — somber worden
Vertalingen
Engelscave, cavity, well
DuitsBrunnen
Spaanspozo
Russischколодец
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek