puthaak

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. stok met haak waaraan de emmer wordt opgehaald uit een put
    Zwengel, m., stok, waaraan de puthaak zit, waarmee de emmer wordt opgehaald. (1882-1890)–Taco H. de Beer [https://www.dbnl.org/tekst/beer004onze01_01/beer004onze01_01_0016.php Onze volkstaal]

Uitdrukkingen

  • over de puthaak getrouwd zijnongehuwd samenwonen