putting

vrouwelijk (de)/ˈputɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) een stevig aan dek of boord verankerd oog waaraan het want of een stag want wordt bevestigd
    Met een wantspanner tussen stag en putting kan men de spanning instellen.

Vertalingen

Engelschainplate
Franscadène