raap
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- gewas met een groot aantal variëteiten, waarvan keukenraap en meiraap als groente worden gegeten.
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘plantensoort’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Uitdrukkingen
- recht voor zijn raap — helder en duidelijk zonder omwegen
Vertalingen
Engelsturnip
Spaanscolinabo, naba, nabo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek