raddraaier

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die dingen doet die bij de wet verboden zijn
    De raddraaiers werden door de politie gearresteerd en opgesloten.
    De raddraaier groeide op voor 'galg en rad'.
    'Ik zou ze het liefst allemaal persoonlijk in elkaar slaan. Mijn handen jeuken.”' Een citaat van VVD-voorman en premier Rutte over de raddraaiers die met oud en nieuw hulpverleners in het nauw brachten. Reformatorisch Dagblad Gerard Vroegindeweij 21-1-2019[https://www.rd.nl/vandaag/politiek/het-knettert-in-de-coalitie-dankzij-reclameman-1.1542048 Het knettert in de coalitie dankzij reclameman]

Etymologie

* In de betekenis van ‘aanstoker’ voor het eerst aangetroffen in 1830