rammelkar

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈrɑməlˌkɑr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gammel voertuig op wielen
    Ja, Lioe-Tsjau had een fiets, een oude rammelkar.
  2. (Suriname) zelfgemaakte speelgoedwagen
    Het Kinderboekenweekgeschenk bestaat dit jaar uit een vierkleurenplaajt met diverse „rammelkarren”. (een rammelkar bestaat uit twee olieblikken in een houten frame die Surinaamse jongens maken om’ er op straat wedstrijden mee te houden).

Vertalingen

Engelsjalopy
Fransguimbarde, tacot
DuitsBlechkiste, Klapperkiste, Schrottkarre
Italiaanstrabiccolo, macinino
Zweedsbilskrälle, rishög