ramp

mannelijk/vrouwelijk (de)/rɑmp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een grote catastrofale gebeurtenis met ernstige gevolgen
    'Nederland realiseert zich op dit moment nog niet wat een ramp zich hier in de nacht van zaterdag op zondag heeft voltrokken,' zei hij.
    Hij herinnerde zich niet wie deze wijze woorden had nagelaten of zelfs maar of ze precies zo waren geformuleerd, maar het was het eerste wat hem te binnen schoot toen Oscar overrompelend en verbeten over de ramp vertelde.
zelfstandig naamwoord
  1. hellend vlak, springschans

Etymologie

*Van Middelnederlands: ramp «ramp, ongeluk, toeval, kramp» van *hrampa, vanwaar ook kramp, krimpen, van *(s)kerb(h)- «draaien, krommen, verschrompelen», vanwaar : скербнуть.

Uitdrukkingen

  • tot overmaat van rampiets wat iets ergs nog erger maakt

Vertalingen

Engelsdisaster, catastrophe
Fransdésastre, bérézina
DuitsKatastrophe
Spaanscalamidad, catástrofe, desastre