ramp
mannelijk/vrouwelijk (de)/rɑmp/
Wat is de betekenis van ramp?
ramp betekent: een grote catastrofale gebeurtenis met ernstige gevolgen
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een grote catastrofale gebeurtenis met ernstige gevolgen
zelfstandig naamwoord
- hellend vlak, springschans
Voorbeelden van "ramp" in een zin
- 'Nederland realiseert zich op dit moment nog niet wat een ramp zich hier in de nacht van zaterdag op zondag heeft voltrokken,' zei hij.
- Hij herinnerde zich niet wie deze wijze woorden had nagelaten of zelfs maar of ze precies zo waren geformuleerd, maar het was het eerste wat hem te binnen schoot toen Oscar overrompelend en verbeten over de ramp vertelde.
Etymologie
*Van Middelnederlands: ramp «ramp, ongeluk, toeval, kramp» van *hrampa, vanwaar ook kramp, krimpen, van *(s)kerb(h)- «draaien, krommen, verschrompelen», vanwaar : скербнуть.
Uitdrukkingen
- tot overmaat van ramp — iets wat iets ergs nog erger maakt
Vertalingen
Engelsdisaster, catastrophe
Fransdésastre, bérézina
DuitsKatastrophe
Spaanscalamidad, catástrofe, desastre
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek