ratio

vrouwelijk (de)/ˈra(t)siˌjo/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wiskunde (wiskunde) verhouding, een verband in de vorm van een breuk tussen getalsmatige grootheden
    De ratio Franstaligen over Nederlandstaligen in België is 4/6.
  2. een redenering, een onderliggende gedachte, beweegreden
    Wat is de ratio achter dit plan?
  3. rede, het vermogen te denken en begrijpen

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘rede’ voor het eerst aangetroffen in 1665

Vertalingen

Spaansproporción, razón aritmética, razón