rauzen
/ˈrɑuzə(n)/
Wat is de betekenis van rauzen?
rauzen betekent: (erga) wild tekeergaan zonder confrontaties te vermijden
Betekenis
werkwoord
- (erga) wild tekeergaan zonder confrontaties te vermijden
- (ov) op een zeer snelle maar onbeheerste manier verplaatsen
- (ov) op een onbehoorlijke manier weghalen
Voorbeelden van "rauzen" in een zin
- Bij De Wijde Blik gaan de honden terug naar de basis, zegt hij: "Ze zien hier op het terrein geen riem en zijn de hele middag op een speelweide met hun eigen roedel. Ze mogen spelen, rauzen, donderen en alles doen wat thuis verboden is, zoals gaten graven."
- Van der Laan onderstreepte dat SyntrusAchmea niet zomaar een investeerder is, maar beheerder van de vermogens van pensioenfondsen. „Ik dacht: als ik aankom met zo’n club, dan zal de raad blij zijn. Deze investeerder gaat niet rauzen met huurprijzen.”
- Ik speel een lompe vrouw die heeft besloten dat het uiterlijk niet uitmaakt, omdat ze vanbinnen mooi is. En ondertussen raust ze over iedereen heen.
- En cruciaal: het treinenverhaal klopt, je krijgt het gevoel dat je door Europa raust met locomotieven.
- Rijen dik stonden de fans, in vol ornaat uitgedost als hun favoriete karakter. Wachtend in de druilerige regen om – als ze überhaupt al naar binnen mochten – in tien minuten door de expo heen te worden gerausd.
Etymologie
*uit het Bargoens, waar het "wild tekeergaan" betekende
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek