rector

/ˈrɛktɔr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onderwijs, beroep (onderwijs) (beroep) iemand die de bestuurlijke leiding heeft over een onderwijsinstituut
  2. religie, beroep (religie) (beroep) (rooms-katholiek) iemand die de bestuurlijke leiding heeft over een klooster of religieuze instelling

Etymologie

*via Middelnederlands """ van Latijn """, in de betekenis van ‘hoofd van een klooster of een onderwijsinrichting’ aangetroffen vanaf 1320