rede

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het vermogen te denken en begrijpen
    Nadat hij zijn kritiek van de metafysica heeft ontwikkeld in zijn Kritiek van de zuivere rede zal hij dan ook veel van datgene wat onder verdenking was komen te staan weer in ere herstellen.
    Dit boek werd als het ware een manifest van humanistische theologie, waarin de mens om zo te zeggen zijn verantwoordelijkheid en daarmee zijn waardigheid behoudt, de mens 'die God naar zijn beeld en gelijkenis geschapen heeft', of ook: 'Adam, de eerste van ons menselijk geslacht, [was] geschapen met een onaangetaste rede waarmee hij kon onderscheiden waarnaar hij moest streven en wat hij moest vermijden.
    Huilend probeerde ze hem tot rede te brengen, maar zijn razernij groeide.
  2. een formele toespraak
    'We staan aan de vooravond van de derde revolutie in het menselijk denken over onze plek in het heelal,' aldus Ignas Snellen gistermiddag in zijn inaugurele rede in het Leidse Academiegebouw.
    In zijn rede maakte hij gewag van grote vorderingen in zijn onderzoek.
  3. scheepvaart (scheepvaart) een ankerplaats buitengaats
    Goeree is genoemd naar de goede rede die er te vinden was.
    Het duurde lang en was lastig omdat het schip slechts een paar uur aan de kade kon aanmeren en zich daarna terug moest trekken en voor anker moest gaan liggen op de rede.

Etymologie

* In de betekenis van ‘denkvermogen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1200

Uitdrukkingen

  • niet voor rede vatbaar zijnniet tot verstandig nadenken in staat zijn
  • reden

Vertalingen

Engelsreason, speech, address
Fransoraison, rade
DuitsReede
Spaansrazón, oración, arenga
Russischразум, рассудок, речь
Poolsreda
Deensred