Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

reeuwer

mannelijk (de)/ˈrewΙ™r/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, verouderd (beroep) (verouderd) iemand die het lichaam van een overledene gereed maakt voor de begrafenis
    (…) "Wel? moogh ie dan niet sien,Dat ick een potien drink?" β€” "Een potien? spreek van tien,Dan sit ge nogh soo koel, als eenen nuchtren reeuwer.
  2. beroep, historisch (beroep) (historisch) iemand die lijders aan besmettelijke ziekten verzorgt en eventueel zorgt voor hun begrafenis
    Volgens De Bo kwam al het goed van een uitgestorven huisgezin toe aan de reeuwer, en daarom zouden baatzuchtige reeuwers wel eens opzettelijk een volledige familie hebben doen omkomen.

Etymologie

*van Middelnederlands "reeuwer", afgeleid van "reeuwen"