regen

mannelijk (de)/ˈreɣə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. meteorologie (meteorologie) neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp
    Na deze lange droogte kunnen we best wat regen gebruiken.
    Wat was het raar om mijn paraplu opeens tegen de regen te moeten gebruiken in plaats van tegen de zon.
werkwoord
  1. gebiedende wijs van regenen

Etymologie

* In de betekenis van ‘neerslag’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901

Uitdrukkingen

  • Na regen komt zonneschijn.Je zult niet altijd pech hebben.
  • Regen in mei, dan is april voorbij.De natuur kiest zelf welke volgorde ze aanhoudt.
  • Als het regent in Parijs, druppelt het in Brussel.Nieuwigheden verschijnen eerst in Parijs, dan in Brussel.
  • Van de regen in de drup.Terwijl het ene probleem opgelost is, is er een nieuw probleem ontstaan, zodat de situatie per saldo niet verbeterd is.

Vertalingen

Engelsrain
Franspluie
DuitsRegen
Spaanslluvia
Italiaanspioggia
Portugeeschuva
Russischдождь
Chinees
Japans
Koreaans
Arabischمطر
Turksyağmur
Poolsdeszcz
Zweedsregn
Deensregn