regenen

/ˈreɣənə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. onpr, meteorologie (onpr) (meteorologie) het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels
    Het zal snel gaan regenen.
    Het was al jaren kurkdroog geweest in Californië, dus ik kon mijn ogen niet geloven toen het opeens uit het niets begon te regenen.
    Het regent in de Mojave zo zelden dat de slapende zaden soms pas na een aantal jaar ontkiemen.
  2. erga, figuurlijk (erga) (figuurlijk) in grote aantallen neerkomen, in grote hoeveelheden gegeven of uitgedeeld worden
    De vuistslagen regenden op zijn lichaam.
    Het regent complimentjes.

Etymologie

*afgeleid van regen

Uitdrukkingen

  • Het regent dat het giet.Het regent hard
  • Het regent pijpenstelen.Het regent hard ("in rechte stralen")

Vertalingen

Engelsrain
Franspleuvoir
Duitsregnen
Spaansllover, lluvia
Italiaanspioggia
Portugeeschuva
Russischдождь
Chinees
Japans
Koreaans
Arabischمطر
Turksyağmur yağmak
Poolspadać
Zweedsregna
Deensregne