regenpijp

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een verticale buis die aan een dakgoot is bevestigd en dient om het hemelwater dat op het dak valt, af te voeren
    De oude zinken regenpijp lekte en is vervangen door een van pvc.

Vertalingen

Engelsdownspout
DuitsFallrohr
Zweedsstuprör