regering

vrouwelijk (de)/reˈɣerɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. regering (regering) een groep van personen die een land bestuurt, specifiek het staatshoofd en alle ministers
    De regering van België heeft het zwaar te verduren gekregen met de economische crisis van het afgelopen jaar.
    Denemarken ook nauwelijks, in de pers hadden ze het uitgebreid gehad over de gemoedelijke verhouding tussen de Deense bevolking en de Duitse gasten. De koning en de regering van Denemarken zaten nog op hun plaats en de samenwerking leek uitstekend te functioneren binnen de Germaanse verbroedering.
    Maar nadat Boedapest zijn equivalent van het Slânsky-proces had doorgemaakt, werden de demonstraties steeds oncontroleerbaarder en ontwikkelden zich tot een opstand tegen alles waar de partij en regering voor stonden, geleidelijk aan met gewapende groepen.

Etymologie

* van regeren .

Uitdrukkingen

  • militaire regeringeen regering, die gevormd is door hohe militairen, een junta

Vertalingen

Engelsgovernment, administration
Fransgouvernement
DuitsRegierung, Junta, Militärjunta
Spaansgobierno
Italiaansgoverno
Poolsrząd
Zweedsregering