regeringsfractie
vrouwelijk (de)/rəˈɣerɪŋsˌfrɑksi/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (politiek) gezamenlijk optredende groep parlementariërs die de regering aan de macht wil houdenNa zijn aftreden was hij nog anderhalf jaar Tweede Kamerlid. Het oppositievoeren, wat hij van 2006 tot 2010 had gedaan, vond hij prachtig. Onderdeel zijn van een regeringsfractie, en „in het gareel” moeten lopen, lag hem minder. „Niet de leukste tijd van mijn leven.”Terwijl Kamerfracties hun energie richten op het formeren van een nieuw kabinet, moeten de demissionaire ministers lopende zaken afhandelen en de natie vertegenwoordigen. Veel macht hebben ze niet meer. De discipline van de regeringsfracties brokkelt af. Normaal zorgen zij ervoor – soms met tegenzin – dat het kabinet kan regeren. Maar in de formatie hebben ze minder interesse in het koste wat kost steunen van de eigen ministers.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek