reisgezelschap

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. groep mensen die samen een reis maken
    En dan wil Claude met zijn reisgezelschap snel naar huis, net over de grens in Frankrijk, met een taxi, besteld door de luchtvaartmaatschappij. de Standaard 23 MAART 2016 Tom Ysebaert
    Peter de Graaf en zijn vriendin Greet Bocxe waren de enige Tukkers in het reisgezelschap van 36 toeristen dat vorige week zondag door een gewapende bende werd overvallen en beroofd. Tubantia Paul Berkhout 01-oktober-2017

Vertalingen

Engelstravelling party