reuk
mannelijk (de)/røk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (biologie) geur
- (biologie) gewaarwording van geur via de neus
- (dysfemisme) van parfum
Etymologie
* In de betekenis van ‘geur, reukvermogen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Vertalingen
Engelssmell, smell
Fransodeur, odorat
DuitsGeruch, Riechen
Spaansolor, olfato
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek