rib
mannelijk/vrouwelijk (de)/rɪp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) elk van de platte, boogvormige beenderen die de borstkas omsluitenZijn ribben waren gebroken en hij was in levensgevaar.
Etymologie
* In de betekenis van ‘dun been in borstkas’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Uitdrukkingen
- zijn ribben waren te tellen — hij was zo mager dat er geen vet meer op zijn borstkas aanwezig was
Vertalingen
Engelsrib, costa
Franscôte
DuitsRippe
Spaanscostilla
Italiaanscosta
Turkskaburga, kaburga kemiği, eğe
Zweedsrevben
Deensribben
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek