ribes
mannelijk (de)/ˈribɛs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) een geslacht van struiken (of soms bomen). Het geslacht omvat ook de planten die eerder het geslacht Grossularia vormden. In deze omschrijving omvat het geslacht circa 150 à 160 soorten die voorkomen in de gematigde streken van het noordelijk halfrond en in de Andes. In Nederland en België komen vijf soorten voor
Etymologie
*van "ribes" "aalbessenstruik"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek