rijden

/ˈrɛidə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) zich verplaatsen met behulp van een voertuig
    Zij reden naar Amsterdam.
    Daar zat ik dan, op meer dan drie uur rijden van het dichtstbijzijnde dorp met internet.
  2. ov (ov) iemand met een voertuig ergens heen brengen
    Hij heeft mij naar Amsterdam gereden.
  3. zich voortbewegen op een rijdier (bijv. een paard)
    Zij reed op een ruin.
  4. het zich rollend verplaatsen van een voertuig
    Een jaar geleden was hij op een onverharde weg in het bos aan het kamperen toen er ’s nachts een crossmotor recht over zijn tent heen was gereden.

Etymologie

* In de betekenis van ‘zich voortbewegen in of op een voertuig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220

Uitdrukkingen

  • Een scheve schaats rijden.verkeerde dingen doen
  • Iemand in de wielen rijden.iemand tegenwerken om te zorgen dat het mis gaat
  • Krakende wagens rijden het langst.nieuw hoeft niet altijd beter te zijn ofwel: mensen die vaak ziek zijn worden vaak toch heel oud
  • Men moet een paard de rug niet stuk rijdenmen moet niet te veel eisen van een ander
  • onder invloed rijdenhet besturen van een auto of ander vervoermiddel terwijl men pas geleden alcohol heeft gedronken

Vertalingen

Engelsdrive, ride
Duitsfahren, fahren, reiten
Spaansconducir, dirigir, ir en vehículo
Zweedsköra