rijgveter

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. snoer waarmee men een kledingstuk zoals schoen of korset strak om het lichaam kan binden
    Nu kwam Sneeuwwitje het venster uitkijken en vroeg: ‘Dag, vrouwtje; maar zeg, wat heb je dan te koop?’ - ‘Mooie waar, goedkoope waar,’ antwoordde de verkleede koningin; ‘veters en lint in alle kleuren,’ en ze haalde een rijgveter voor den dag, die van bonte zijde gevlochten was. - ‘Dat oude vrouwtje durf ik wel binnenlaten,’ dacht Sneeuwwitje, schoof den grendel van de deur en kocht den mooien rijgveter. - ‘Kind,’ zei de oude, ‘foei, wat zie je er uit! Kom, ik wil je eens ordentelijk rijgen.’ (1874)–J.J.A. Goeverneur [https://www.dbnl.org/tekst/goev001boek01_01/goev001boek01_01_0034.php Het boek van de mooiste kinder- en volkssprookjes]

Vertalingen

Engelsshoe-lace