rijst
mannelijk (de)/rɛist/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (graan) (voeding) graan van het geslacht
- de meest verbouwde rijstsoort ()
- zaden van de rijstplant
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘graansoort’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1252
Vertalingen
Engelsrice
Fransriz
DuitsReis
Spaansarroz
Italiaansriso
Portugeesarroz
Russischрис
Chinees稻
Japansイネ
Poolsryż
Zweedsris, risgryn
Deensris
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek