ris
mannelijk/vrouwelijk (de)/rɪs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- bundel vlas
- (plantkunde) takje met druiven of bessen die er gemakkelijk in één beweging afgehaald kunnen worden
- hoeveelheid gelijke voorwerpen die met touw of stok aan elkaar vastzittenEen ris takken.
- (figuurlijk) reeks gelijke zaken of personen
tussenwerpsel
- weergave van een zacht zagend of scheurend geluidBij mijn elleboog voel ik de wrijving van de stenen tegen mijn jack, ris-ris-ris.
Etymologie
*[tussenwerpsel] (klanknabootsing)
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek