risicogroep

vrouwelijk (de)/ˈrizikoˌɣrup/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een deel van de bevolking met een grotere kans op een bepaalde ziekte of aandoening
    De Belgische overheid begint dit najaar een nieuwe vaccinatiecampagne tegen COVID-19. Alle volwassen Belgen kunnen als ze dat willen een tweede boosterprik tegen het virus krijgen, hebben de Belgische ministers van Volksgezondheid besloten. Wel zijn eerst de risicogroepen en het zorgpersoneel aan de beurt.
  2. een deel van de bevoling dat een grotere kans heeft op een belaalde vervelende gebeurtenis
    Mensen die vaak een impulsaankoop doen zijn een risicogroep voor het doen van miskopen