rissen

/ˈrɪsə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. tot een bundel, 'ris', samenvoegen
  2. bessen of druiven in één beweging van een takje, 'ris', halen
  3. een bundel vlas, 'ris', over een scherpe rand heen en weer trekken om houtige deeltjes tussen de vezels vandaan te halen

Etymologie

*[zelfstandig naamwoord] ris met uitgang -en