rit

/rɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (m) een korte reis te paard, op een fiets of in een voertuig
    Over de Blueridge Parkway is dat een prachtige rit.
    Toen we na een rit van een halfuur bij het postkantoor arriveerden en ik de envelop van Omer ophaalde, dacht ik aan de woorden van Papa, over de schoonheid van de seizoenen en de overgangen in de tijd die zich telkens weer herhalen.
  2. (n) een snoer eieren van een kikvors, kikkerrit

Etymologie

* Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘het rijden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1558

Vertalingen

Engelsride