ritme

onzijdig (het)/ˈrɪtmə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. muziek (muziek) een zich in de tijd herhalend patroon van geluiden
    ' Ik luisterde naar het ritme van haar stem: afgemeten en omfloerst; hij klonk niet helemaal Engels, hoewel er genoeg accent van een tochtige kostschool in doorklonk.
  2. een zich in de tijd herhalend patroon van handelingen of gebeurtenissen
    Hoe het ritme van onze voeten het ritme van de dag bepaalt.
    Het was even wennen om helemaal alleen door de uitgestorven woestijn te lopen, maar toch raakte ik geleidelijk in een ritme.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘wisseling in beweging’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1734

Vertalingen

Engelsrhythm
Fransrythme
DuitsRhythmus
Spaansritmo, cadencia
Poolsrytm
Deensrytme