rits
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Wat is de betekenis van rits?
rits betekent: reeks, serie
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- reeks, serie
- ritssluiting
- (geologie) zandrug, schelpenrug; hoger en droger gedeelte in een drasland
Voorbeelden van "rits" in een zin
- Hij kwam met een hele rits voorstellen.
- M'n rits is stuk.
Etymologie
* [3] Leenword uit het Engels, van ridge.
Vertalingen
Engelszipper
DuitsReißverschluss
Spaanscremallera
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek