rits

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Wat is de betekenis van rits?

rits betekent: reeks, serie

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. reeks, serie
  2. ritssluiting
  3. geologie (geologie) zandrug, schelpenrug; hoger en droger gedeelte in een drasland

Voorbeelden van "rits" in een zin

  • Hij kwam met een hele rits voorstellen.
  • M'n rits is stuk.

Etymologie

* [3] Leenword uit het Engels, van ridge.

Vertalingen

Engelszipper
DuitsReißverschluss
Spaanscremallera