roadshow

mannelijk (de)/ˈrotʃo/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een optreden dat op verschillende plaatsen in het land wordt gegeven door mensen die het hele land doortrekken
    Volgens Frank Everink, kooktechnisch adviseur bij Rational, leverancier van profesionele {{sic!|professionele
    Meer dan vijftig ondernemers uit Borne hebben zich woensdagavond verzameld in het gemeentehuis voor de ‘roadshow’ Laat je Niet Overvallen van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid. Er worden onder meer rollenspelen gedaan. Tubantia 15-10-15 [https://www.tubantia.nl/borne/bornse-ondernemers-laten-zich-voorlichten-over-diefstal-en-overval~a7901baa/ Bornse ondernemers laten zich voorlichten over diefstal en overval]
    's Avonds staat dan voor het derde opeenvolgende jaar in het teken van de Copacabana Beachparty, een zomerse knipoog naar de komende Olympische Spelen in Rio de Janeiro. Zondagmiddag, rond en na afloop van de Grote Prijs van Twente, wordt het amusementsprogramma sfeervol afgesloten met optredens van Jannes, Bouke en de Radio Continu Roadshow. Kaarten voor de zondag zijn bij tankstations verkrijgbaar. Tubantia, 09-06-16 [https://www.tubantia.nl/tubbergen/fair-met-streekproducten-voor-t-eerst-op-csi-twente-in-geesteren~a66fd74c/ Fair met streekproducten voor 't eerst op CSI Twente in Geesteren]

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels; vanaf 2009 opgenomen in de woordenboeken

Vertalingen

Engelsroad show, roadshow