rocaille

alle geslachten/roˈkɑjə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tuinieren (tuinieren) rotstuin
  2. schelpmotief typisch voor de rococo
    De auteur is de eerste om toe te geven dat er ook andere keuzes mogelijk waren geweest. Waarom de prachtige Grote of Catharijnekerk in Heusden niet opgenomen, of „het verfijnde kerkje van Middelbeers met zijn mooie verhoudingen”, of „de laatgotische hervormde kerk van Waspik met zijn rocaille meubels van Petrus Verhoeven?”
    Het siert de samenstellers dat vaktermen als festoen, rocaille en ormolumontuur worden uitgelegd. Overigens had een verklarende woordenlijst waar lezers op terug kunnen grijpen niet misstaan.

Etymologie

* uit het Frans