roedel
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een groep honden, wolven, herten of ook gemzen waar een sterke hiërarchie heerstBij roofdieren (hondachtigen) wordt de roedel geleid door de zogenaamde alfareu (het meest dominante mannetje) en de alfateef (het meest dominante vrouwtje).
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘kudde’ voor het eerst aangetroffen in 1940
Vertalingen
Engelspack
DuitsRudel
Spaansmanada, jauría
Poolswataha, sfora
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek