roeier

mannelijk (de)/ˈrujər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart, sport (scheepvaart), (sport) iemand die roeit
    Om vooruit te zien moet een roeier achterom kijken.
  2. scheepvaart, beroep (scheepvaart), (beroep) een havenwerker die de meertrossen van schepen aan de meerpalen vastmaakt
    Vroeger had de roeier slechts een roeiboot te beschikking.

Etymologie

* van roeien

Vertalingen

Engelsrower
Fransrameur, amareur
DuitsRuderer, Schiffsbevestiger
Spaansremero
Zweedsroddare