roesje
/ˈruʃə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) lichte verdoving bij niet al te pijnlijke ingrepen, waardoor de patiënt in slaap valt maar zelf blijft ademen
- (vlinders) bepaald soort vlinder, uit de familie van de spinneruilen (), die in Nederland en België algemeen voorkomt
- (mode) versiering van kleding in de vorm van stof die geplooid op een onderlaag is vastgenaaid
Etymologie
*[4]: van "ruche", in de betekenis van ‘oplegsel aan kleding’ aangetroffen vanaf 1984
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek