roesje

/ˈruʃə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) lichte verdoving bij niet al te pijnlijke ingrepen, waardoor de patiënt in slaap valt maar zelf blijft ademen
  2. vlinders (vlinders) bepaald soort vlinder, uit de familie van de spinneruilen (), die in Nederland en België algemeen voorkomt
  3. mode (mode) versiering van kleding in de vorm van stof die geplooid op een onderlaag is vastgenaaid

Etymologie

*[4]: van "ruche", in de betekenis van ‘oplegsel aan kleding’ aangetroffen vanaf 1984