roken
meervoud/ˈrokə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) rook afgevenDie schoorsteen rookt geweldig.
- (ov) (van sommige genotsmiddelen, zoals tabak) nuttigen door het inhaleren van de rook ervanHij kan het roken niet voor een dagje laten.In verschillende landen is het bij wet verboden te roken in openbare gebouwen.De gesprekken met deze dames waren diepgaander, maar voor de rest vloekten ze evenveel als de gemiddelde man, lieten ze evenveel scheten, rookten ze evenveel wiet en liepen ze even hard.
- (ov) (van rauwe vis of rauw vlees) conserveren door langdurige blootstelling aan rook.Hij at paling die lang had liggen roken.
werkwoord
- (ov) (landbouw) (historisch) (van hooi) stapelen in oppers
Etymologie
*[B] afgeleid van [[rookZelfstandig naamwoord_2|rook [B] ]]
Vertalingen
Engelssmoke, smoke, smoke
Fransfumer, fumer, fumer
Duitsrauchen, rauchen, räuchern
Spaanshumear, fumar, ahumar
Italiaansfumare, fumare, affumicare
Poolspalić
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek