roken

meervoud/ˈrokə(n)/

Wat is de betekenis van roken?

roken betekent: (inerg) rook afgeven

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) rook afgeven
  2. ov (ov) (van sommige genotsmiddelen, zoals tabak) nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
  3. ov (ov) (van rauwe vis of rauw vlees) conserveren door langdurige blootstelling aan rook.
werkwoord
  1. ov, landbouw, historisch (ov) (landbouw) (historisch) (van hooi) stapelen in oppers

Voorbeelden van "roken" in een zin

  • Die schoorsteen rookt geweldig.
  • Hij kan het roken niet voor een dagje laten.
  • In verschillende landen is het bij wet verboden te roken in openbare gebouwen.
  • De gesprekken met deze dames waren diepgaander, maar voor de rest vloekten ze evenveel als de gemiddelde man, lieten ze evenveel scheten, rookten ze evenveel wiet en liepen ze even hard.
  • Hij at paling die lang had liggen roken.

Etymologie

*[B] afgeleid van [[rookZelfstandig naamwoord_2|rook [B] ]]

Vertalingen

Engelssmoke, smoke, smoke
Fransfumer, fumer, fumer
Duitsrauchen, rauchen, räuchern
Spaanshumear, fumar, ahumar
Italiaansfumare, fumare, affumicare
Poolspalić