romusha
mannelijk (de)/roˈmuʃa/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (geschiedenis) door de Japanse bezetter in Nederlands-Indië met meer of minder dwang geronselde inheemse arbeider
Etymologie
*van "労務者" (romusha) "werkman, arbeider": "労" (ro) "arbeid, werk", "務" (mu) "taak, plicht" en "者" (sha) "-er, achtervoegsel om iemand aan te duiden die doet van in het voorgaande naamwoord besloten ligt"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek