rondje

/ˈrɔɲcə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. traktatie, gewoonlijk van alcoholische aard aan de aanwezigen in een café
    Hij gaf een rondje en dat ging er wel in bij zijn vriendjes.
  2. sport (sport) enkele rondgang over een baan
    Ze hadden na een paar rondjes al een flinke achterstand.
    Ze zouden steeds hetzelfde rondje zwemmen.
  3. sport (sport) enkele rondgang om iets of iemand
    Met zijn handen op zijn heupen liep hij terug naar Teresa, nam haar onderzoekend op, draaide langzaam een rondje om haar heen en pakte toen haar vlecht vast, die hij in zijn hand woog, alsof hij een weduwe op de markt was die haar neus optrok voor de aangeboden groente.

Etymologie

*afgeleid van "rond"

Uitdrukkingen

  • een rondje voor de hele zaak