rooien

/'rojən/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) van een oogst, bomen uit de grond halen
    Aardappels, schorseneren en wortelen worden vaak machinaal gerooid.
  2. verouderd (verouderd) met een werpspies treffen, i.h.a doel treffen, slagen
    [G]ij moet regt in die sloot sturen, zult gij dat wel rooijen? Ik kan den paal niet rooijen. {{Weiland

Etymologie

*> Middelnederlands: roden > *roϸon --«ontginnen»

Uitdrukkingen

  • het kunnen rooienzich kunnen redden, met name financieel

Vertalingen

Engelsuproot, dig
Fransarracher
Duitsroden
Spaansarrancar