rots
mannelijk/vrouwelijk (de)/rɔts/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een grote ruwe steenHij ging op het geluid af en zag, op een bergweitje tussen de rotsen, een kleine donkere jongen zijn geiten hoeden.Op een bepaald moment bleef mijn rugzakriem aan een scherpe rots hangen waardoor ik bijna mijn evenwicht verloor en ik drukte me snel met al mijn gewicht tegen de rotswand aan.
Etymologie
* Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘steenmassa’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
Uitdrukkingen
- Op rotsen ploegen — iets doen wat tevergeefse moeite is
- als een rots in de branding
- rost, stro, tros, tors
Vertalingen
Engelsrock
Fransroche
DuitsFels
Spaansroca, peña
Poolsskała
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek