rotzak
mannelijk (de)/ˈrɔtsɑk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheldwoord) (verouderd) man die syfilis heeft opgelopen
- (scheldwoord) iemand die zeer verwerpelijk gedrag vertoontMet die rotzakken wil ik niets te maken hebben.
Etymologie
*[2] op te vatten als (intensiverende)
Vertalingen
Engelsrogue, scoundrel, scumbag
Spaanscanalla, granuja
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek