route

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈrutə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. weg die men aflegt, weg die men van plan is af te leggen
    Een gps beschrijft de route die je moet volgen.
    De avond van tevoren stippelde een van de vaders een route uit, die vaak niet over een vast bergpad, maar dwars over de bergen naar onze volgende bestemming, liep.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘weg’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1643

Vertalingen

Engelscourse, road, route
Spaanscurso, recorrido, ruta