rozelaar
mannelijk (de)/ˈrozəˌlar/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- rozenstruikEen buitenhuisje in de Provence. Dat is het laatste wat je verwacht, als je uit de lift stapt van dit appartementencomplex in de Upper East Side. Fotograaf Harry Benson woont hier, samen met zijn twee honden, drie katten, zes parkieten en zijn vrouw Gigi. De openslaande deuren leiden naar een balkon dat een tuin lijkt. Boven een rustiek bankje hangt een uitgebloeide rozelaar. Het is niet voor te stellen dat ik op de achttiende verdieping ben van een wolkenkrabber in een wereldstad. NRC 27 januari 2015 [https://www.nrc.nl/nieuws/2015/01/27/benson-was-here-1460313-a342277 Benson was here]
Etymologie
* afleiding van roos
Vertalingen
Engelsrose-tree
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek